Van ziekenhuistypologie naar geïntegreerd gezondheidszorgsysteem - een strategisch en politiek uitvoerbaar kader voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap in de Europese gezondheidsdata-ruimte

Inleiding

De hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap is noodzakelijk, maar haar succes zal niet worden bepaald door de vraag hoeveel ziekenhuissites voortaan het etiket universitair ziekenhuis, regionaal algemeen ziekenhuis, ziekenhuissite voor dagzorg of ziekenhuis voor intermediaire zorg dragen. De doorslaggevende vraag is of België erin slaagt deze typologie te gebruiken als hefboom voor een geïntegreerd gezondheidszorgstelsel waarin zorgprocessen, personeelscapaciteit, financiering en gezondheidsgegevens over institutionele grenzen heen worden georganiseerd.

Op 24 juni 2026 bereikte de Interministeriële Conferentie (IMC) Volksgezondheid een politiek akkoord over een model met vier soorten ziekenhuissites: universitaire ziekenhuizen, regionale algemene ziekenhuizen (RAZ), ziekenhuissites voor dagzorg (ZDZ) en ziekenhuizen voor intermediaire zorg (ZIZ). Een RAZ moet in de eerste fase minstens 150 verantwoorde acute bedden en 200 erkende bedden van bepaalde beddentypes hebben. Na evaluatie kan dit in een tweede fase worden verhoogd tot respectievelijk 180 en 240 bedden. Het eerder voorgestelde criterium van minimaal 600 bevallingen per jaar werd geschrapt. Sites die niet aan de RAZ-criteria voldoen, kunnen hun activiteiten consolideren, fuseren, converteren naar een ZDZ en/of ZIZ of hun ziekenhuisactiviteiten beëindigen. De criteria moeten nog in federale ziekenhuiswetgeving worden opgenomen, terwijl de deelstaten verantwoordelijk blijven voor de erkenning op het niveau van de vestigingsplaats. Volgens de huidige planning worden definitieve beleidslijnen in september 2026 verwacht. De bestemming van niet-conforme sites moet uiterlijk op 1 januari 2028 zijn bepaald, waarna een eerste implementatiefase tot 2031 en een tweede fase tot uiterlijk januari 2037 volgen (Interministeriële Conferentie Volksgezondheid [IMC], 2026).

De centrale stelling van dit essay is dat deze hervorming politiek wenselijk en inhoudelijk verdedigbaar is, maar alleen wanneer zij wordt uitgevoerd als een interfederale hervorming van volledige zorgpaden en niet als een eenmalige herclassificatie van gebouwen. De vier ziekenhuistypes dienen ingebed in één samenhangende gezondheidszorg-architectuur waarin het microniveau van het individuele zorgproces, het mesoniveau van territoriale netwerken, het macroniveau van het Belgische gezondheidsbeleid en het supranationale niveau van de Europese Unie (EU), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) elkaar wederzijds versterken. Het Belgian Integrated Health Record (BIHR) en de European Health Data Space (EHDS) moeten daarbij niet als afzonderlijke digitaliseringsprojecten worden beschouwd, maar als de informatie-infrastructuur van het nieuwe  gezondheidszorgmodel.

1. De hervorming als antwoord op structurele problemen

De ziekenhuishervorming vindt plaats tegen de achtergrond van een Belgisch  gezondheidszorgstelsel dat een hoge toegankelijkheid en ruime keuzevrijheid combineert met institutionele fragmentatie, een grotendeels prestatiegerichte financiering en een sterke historische oriëntatie op ziekenhuizen en acute zorg. De bevoegdheden zijn verdeeld over de federale overheid, gemeenschappen en gewesten, terwijl zorgverleners voornamelijk per prestatie worden vergoed en patiënten rechtstreeks toegang hebben tot specialisten en ziekenhuizen. Deze kenmerken hebben veel activiteit en toegankelijkheid gegenereerd, maar stimuleren onvoldoende verantwoordelijkheid voor de uitkomsten en doelmatigheid van het volledige zorgtraject (Gerkens & Merkur, 2024; KCE, 2022).

België beschikte in 2023 over 5,4 ziekenhuisbedden per 1.000 inwoners, tegenover gemiddeld 5,1 in de Europese Unie (EU). Die nominale beddencapaciteit overschat echter de feitelijk beschikbare capaciteit: door personeelstekorten, absenteïsme en tijdelijke sluitingen was een deel van de erkende bedden niet operationeel. Tegelijkertijd liggen de vermijdbare ziekenhuisopnames voor astma, chronisch obstructief longlijden (COPD) en diabetes mellitus boven het Europese gemiddelde, wat wijst op tekortkomingen in preventie, eerstelijnszorg en zorgcontinuïteit. België heeft de omschakeling naar dagchirurgie ingezet, maar de toepassing ervan varieert sterk tussen regio’s en ziekenhuizen en wordt nog gehinderd door complexe en onvoldoende transparante betalingsregels (OECD & European Observatory on Health Systems and Policies, 2025).

Deze gegevens illustreren waarom het aantal bedden tegelijk relevant en onvoldoende is. Een minimumomvang kan noodzakelijk zijn om permanenties, technische infrastructuur en multidisciplinaire expertise duurzaam te organiseren. Het aantal erkende of verantwoorde bedden zegt evenwel weinig over de personele bezetting, de feitelijke beschikbaarheid, de kwaliteit van overdrachten, de klinische uitkomsten of de toegankelijkheid voor kwetsbare bevolkingsgroepen (SDoH). Een hervorming die uitsluitend kwantitatieve drempelwaarden toepast, loopt daarom het risico formeel capaciteit te concentreren zonder de onderliggende zorgprocessen te verbeteren.

Voor complexe, laagvolume-interventies bestaat wetenschappelijk bewijs voor een relatie tussen volume en uitkomsten. Die relatie is echter procedure-, team- en contextgebonden. Zij rechtvaardigt de concentratie van specifieke complexe zorg, maar vormt geen wetenschappelijke basis om alle ziekenhuisfuncties met één generieke beddendrempel te beoordelen. Voor iedere zorgopdracht moeten volume, deskundigheid, permanente beschikbaarheid, proceskwaliteit, uitkomsten en geografische bereikbaarheid gezamenlijk worden gewogen (Tol et al., 2012).

De afschaffing van het uniforme criterium van 600 bevallingen per jaar kan vanuit dat perspectief worden verdedigd. Een enkel volumecriterium houdt onvoldoende rekening met geografische omstandigheden, risicoselectie, personeelsbezetting en de organisatie van urgente verloskundige zorg. De schrapping mag evenwel niet betekenen dat materniteiten voortaan alleen aan algemene beddendrempels worden getoetst. Zij moet worden gevolgd door specifiekere normen voor continue beschikbaarheid van obstetrische, neonatale, anesthesiologische en transportexpertise, gecombineerd met risicogecorrigeerde uitkomsten en bereikbaarheidscriteria.

Nota: kwetsbare bevolkingsgroepen zijn groepen die een hoger risico lopen op gezondheidsproblemen door ongunstige Sociale Determinanten van Gezondheid (SDoH). SDoH zijn de omstandigheden waarin mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken en ouder worden. Deze niet-medische factoren hebben een significante impact op de (gezonde) levensverwachting en de levenskwaliteit.

2. De vier ziekenhuistypes als functionele differentiatie

De vierdelige typologie moet worden geïnterpreteerd als een functionele ordening van zorgactiviteiten en niet als een hiërarchie van waardevolle en minder waardevolle instellingen. Elk type heeft een eigen belangrijke opdracht binnen het zorgcontinuüm.

Het universitair ziekenhuis (UZ) combineert hoogcomplexe en supraregionale zorg met onderzoek, opleiding en innovatie. Het RAZ wordt de regionale drager van acute, geplande en ongeplande ziekenhuiszorg. Een ZDZ biedt poliklinische specialistische zorg, diagnostiek, zware medische apparatuur en een of meer vormen van dagbehandeling, maar geen overnachtingscapaciteit. Het actuele voorstel bepaalt bovendien dat een ZDZ institutioneel verbonden is met één RAZ en met dat RAZ een service-level agreement (SLA) voor zorgcontinuïteit afsluit. Een ZIZ richt zich op intermediaire en revalidatiegerichte zorg, maar de precieze beddennormen en de verhouding tot de door de deelstaten georganiseerde revalidatievoorzieningen moeten nog verder worden uitgewerkt (IMC, 2026).

De strategische meerwaarde van deze typologie ligt in de mogelijkheid om verschillende zorglogica’s uit elkaar te halen. Acute en complexe zorg vereist permanentie, kritische massa en hoogtechnologische ondersteuning. Dagzorg vereist snelle toegang, zorgvuldig gestandaardiseerde processen en een goede verbinding met de thuissituatie. Intermediaire zorg vereist multidisciplinaire revalidatie, functionele doelstellingen en nauwe samenwerking met thuiszorg, eerstelijnszorg en welzijn. Wanneer deze zorgvormen binnen één klassiek algemeen ziekenhuis onder dezelfde financiële en organisatorische logica blijven vallen, concurreren zij om bedden, personeel en investeringsmiddelen. Een functionele differentiatie maakt gerichtere capaciteitsplanning mogelijk.

Daar staat tegenover dat differentiatie nieuwe overdrachtsrisico’s creëert. Een patiënt kan achtereenvolgens een complexe interventie in een universitair ziekenhuis (UZ), acute nazorg in een RAZ, revalidatie in een ZIZ en ambulante opvolging in een ZDZ of de eerste lijn ontvangen. Iedere overgang kan leiden tot informatieverlies, medicatiefouten, dubbel onderzoek, onduidelijke verantwoordelijkheid of uitstel. Hoe sterker de zorg over sites wordt verdeeld, hoe belangrijker de integratie van het zorgproces wordt. Specialisatie zonder integratie veroorzaakt fragmentatie; specialisatie mét gedeelde verantwoordelijkheid kan kwaliteit en doelmatigheid verhogen.

3. De nationale beleidscontext

3.1 De Interministeriële Conferentie: noodzakelijk maar niet zelfuitvoerend

De IMC Volksgezondheid is in het Belgische federale bestel het aangewezen forum om federale en deelstatelijke bevoegdheden op elkaar af te stemmen. Zij heeft echter geen autonome dwingende beslissingsmacht. De conferentie kan protocolakkoorden en samenwerkingsakkoorden voorbereiden, maar iedere overheid moet binnen haar eigen bevoegdheid de nodige wetgeving, erkenningsregels, financiering en uitvoeringsbesluiten vaststellen (Overlegorganen Volksgezondheid, z.d.).

Dit institutionele gegeven heeft een belangrijke consequentie. Een politiek akkoord over vier ziekenhuistypes is geen voldoende uitvoeringsmechanisme. De hervorming vereist minimaal een drievoudige juridische verankering:

  1. federale wetgeving voor ziekenhuisfuncties, organieke normen, financiering en ziekteverzekering;
  2. deelstatelijke besluiten voor erkenning, infrastructuur, territoriale zorgplanning, welzijn en revalidatie;
  3. een interfederaal samenwerkingsakkoord voor gedeelde doelstellingen, datagovernance, evaluatie, personeelsplanning en geschillenbeslechting.

Zonder deze drieledige verankering ontstaat het risico dat federale financieringsprikkels, deelstatelijke erkenningsbesluiten en lokale investeringsprogramma’s verschillende richtingen uitgaan. De hervorming moet daarom worden vastgelegd in een Interfederaal Transformatieakkoord Ziekenhuiszorg 2026–2037, met wederkerige, meetbare en budgettair onderbouwde verbintenissen.

3.2 Van locoregionale ziekenhuisnetwerken naar territoriale zorggovernance

De wet van 28 februari 2019 liet maximaal 25 locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken toe: maximaal dertien in Vlaanderen, acht in Wallonië en vier in Brussel. Begin 2026 waren 23 netwerken operationeel. Zij kregen onder meer de opdracht om het regionale zorgaanbod te coördineren, toegankelijkheid te garanderen en verwijs- en terugverwijsafspraken te maken (Wet van 28 februari 2019; FOD Volksgezondheid, 2026).

Het voorstel van juni 2026 gaat echter verder dan een aanpassing van deze netwerken. Het stelt dat de nieuwe vorm van samenwerking tussen RAZ-sites in de plaats moet komen van de huidige wet op de locoregionale ziekenhuisnetwerken. Dit is een fundamentele institutionele wijziging, die m.i. nog onvoldoende aandacht krijgt in het publieke debat (IMC, 2026).

De netwerkhervorming mag niet leiden tot verlies van opgebouwde samenwerking, gezamenlijke medische afspraken en regionale planningscapaciteit. De juiste beleidskeuze is niet om de bestaande netwerken eenvoudig af te schaffen, maar om hun bruikbare functies over te dragen naar een nieuw model van territoriale zorggovernance. Het RAZ kan daarin als acute ziekenhuis-hub functioneren, maar mag niet de enige bestuurlijke eigenaar van de regionale gezondheidszorg worden. Huisartsen, eerstelijnszones, geestelijke gezondheidszorg, thuiszorg, apothekers, welzijnsorganisaties, patiënten-vertegenwoordigers en medische hulpdiensten moeten volwaardig kunnen deelnemen.

3.3 Het interfederale plan voor geïntegreerde zorg

Het interfederale plan voor geïntegreerde zorg, waarvoor in november 2023 een protocolakkoord werd gesloten, biedt reeds een inhoudelijk kader. Het plan legt de nadruk op levensdoelen van personen, populatiegerichte zorg, een aanspreekbaar mesoniveau, digitalisering, zorgcontinuïteit en financieringsvormen die integratie bevorderen. De deelstaten hebben hiervoor verschillende territoriale structuren aangewezen: eerstelijnszones in Vlaanderen, geplande locoregionale gezondheidsorganisaties in Wallonië, de vijf Brusano-zones in Brussel en het netwerk voor geïntegreerde zorg in de Duitstalige Gemeenschap (RIZIV, 2023; WeCare, 2023).

Hier ontstaat een potentiële bestuurlijke overlapping. Enerzijds bestaan of ontstaan ziekenhuisnetwerken rond ziekenhuiszorg; anderzijds bestaan territoriale mesostructuren rond geïntegreerde zorg en welzijn. Deze grenzen vallen niet noodzakelijk samen. Het creëren van nog een afzonderlijke RAZ-regio zou de fragmentatie naar goede Belgische gewoonte kunnen vergroten (territoriale discordantie).

Een politiek uitvoerbare oplossing is een model van gekoppelde, maar juridisch onderscheiden governance. Iedere regio moet één gezamenlijk populatie- en capaciteitsplan opstellen. Binnen dat plan kan een ziekenhuisbestuur verantwoordelijk zijn voor acute en gespecialiseerde ziekenhuisfuncties, terwijl een territoriale raad voor geïntegreerde zorg de verbinding met preventie, eerstelijnszorg, chronische zorg, welzijn en thuiszorg bewaakt. Beide organen moeten dezelfde populatiegegevens, uitkomstdoelstellingen en jaarlijkse evaluatie gebruiken. Dit sluit aan bij het interfederale eGezondheidsplan, dat expliciet pleit voor verbinding tussen de governance van digitalisering en die van geïntegreerde zorg zonder beide volledig organisatorisch samen te voegen (RIZIV, 2026c).

3.4 Appropriate Care als inhoudelijke norm

Het RIZIV definieert Appropriate Care (doelmatige zorg) als de juiste, evidence-based zorg, op het juiste moment, op de juiste plaats en door de juiste professional, met een evenredig en duurzaam gebruik van middelen. De beleidsagenda voor 2026–2027 richt zich onder meer op het verminderen van zorg met geringe toegevoegde waarde, het terugdringen van ongewenste praktijkvariatie, een sterker gebruik van gegevens en een betere governance (RIZIV, 2026a).

Deze benadering moet het inhoudelijke beoordelingskader voor de ziekenhuishervorming vormen. Een ZDZ is bijvoorbeeld niet doelmatig omdat zij minder bedden heeft, maar omdat zij aantoonbaar veilige zorg zonder overnachting organiseert voor patiënten bij wie opname geen klinische meerwaarde heeft. Een ZIZ is niet doelmatig omdat een patiënt een goedkoper bed bezet, maar omdat het revalidatieproces diens functionele zelfstandigheid vergroot en vermijdbare heropnames voorkomt. Een RAZ is niet doelmatig omdat het een beddendrempel haalt, maar omdat het 24 uur per dag kwalitatief verantwoorde acute zorg levert en patiënten die hoogcomplexe zorg nodig hebben tijdig verwijst.

Doelmatigheid moet daarom worden gemeten over het volledige transmurale en interdisciplinaire zorgpad. Michael Porters definitie van waarde zijn de gezondheidsuitkomsten in verhouding tot de daarvoor ingezette middelen, biedt een nuttig uitgangspunt, mits zij wordt aangevuld met toegankelijkheid, billijkheid en het welzijn van zorgprofessionals uit de Quintuple Aim (Porter, 2010; Nundy et al., 2022).

4. BIHR en EHDS als informatie-infrastructuur

4.1 Het BIHR als functionele ruggengraat

Het Belgian Integrated Health Record (BIHR) is geen nieuw centraal elektronisch patiëntendossier, maar een digitaal ecosysteem dat bestaande authentieke gegevensbronnen onderling moet verbinden. Burgers moeten een geïntegreerd overzicht krijgen van hun gezondheids- en welzijnsgegevens, terwijl betrokken zorgprofessionals toegang krijgen tot de gegevens die zij voor de behandeling nodig hebben. Het BIHR omvat daarnaast principes voor (primaire) gegevenskwaliteit, secundair gebruik in het publieke belang en vermindering van administratieve lasten (RIZIV, 2026b).

Voor de ziekenhuishervorming betekent dit dat het BIHR niet als ondersteunende ICT mag worden behandeld. Het BIHR is een constitutieve voorwaarde. Een gedifferentieerd ziekenhuislandschap kan slechts veilig functioneren wanneer minimaal de volgende informatie doorheen het transmurale en interdisciplinaire zorgpad beschikbaar is:

  • (gestructureerde) actuele diagnoses, allergieën, medicatie en risicoprofielen;

  • beeldvorming, laboratoriumresultaten en specialistische verslagen;

  • behandeldoelen en gemaakte afspraken;

  • actuele (up to date) beschikbare capaciteit en geplande vervolgzorg;

  • tijdige, structureel en inhoudelijk volledige ontslag- en overdrachtsinformatie;

  • functionele toestand en revalidatiedoelen;

  • patiëntgerapporteerde uitkomsten en ervaringen.

Registratie moet zo veel mogelijk gestructureerd en eenmalig aan de bron plaatsvinden. Dezelfde gegevens moeten vervolgens primair bruikbaar zijn voor directe patiëntenzorg, kwaliteitsverbetering, capaciteitsplanning, secundair voor publieke verantwoording en wetenschappelijk onderzoek, met passende autorisaties en privacywaarborgen (safety en security).

Het interfederale actieplan eGezondheid 2026–2029 maakt de operationalisering van het BIHR tot een van zijn centrale assen. Het plan koppelt technische infrastructuur expliciet aan inhoudelijke programma’s voor geïntegreerde zorg en beoogt gegevensuitwisseling gedurende het volledige zorgtraject, inclusief grensoverschrijdende uitwisseling binnen de Europese Unie (RIZIV, 2026c).

4.2 De European Health Data Space

De European Health Data Space-verordening (EHDS), Verordening (EU) 2025/327, trad op 26 maart 2025 in werking. Zij creëert een gemeenschappelijk juridisch en technisch kader voor het primaire gebruik van elektronische gezondheidsgegevens bij zorgverlening, het secundaire gebruik voor onderzoek, innovatie en beleid en de interoperabiliteit van elektronische patiëntendossiers. Vanaf maart 2029 moeten onder meer patiëntsamenvattingen en elektronische voorschriften grensoverschrijdend uitwisselbaar zijn en worden de meeste regels voor secundair gebruik van toepassing. Vanaf maart 2031 volgen onder andere medische beelden, laboratoriumresultaten en ontslagverslagen (European Parliament & Council, 2025; European Commission, 2025).

De Belgische en Europese tijdlijnen vallen opvallend goed samen. Wanneer België zijn eerste reconversies tegen 2031 wil realiseren, zullen juist dan de belangrijkste EHDS-verplichtingen voor ziekenhuisgegevens operationeel worden. Dit biedt een eenmalige kans om de nieuwe transmurale en interdisciplinaire zorgpaden en gegevensarchitectuur gezamenlijk te ontwerpen. België moet vermijden eerst nieuwe ziekenhuisstructuren te bouwen en daarna afzonderlijk interoperabiliteit toe te voegen.

EHDS-conformiteit moet daarom een erkenningsvoorwaarde worden voor ieder ziekenhuistype. Dat betekent niet dat iedere site dezelfde informatiesystemen moet gebruiken. Wel moeten de syntax, semantiek, gegevensformaten, identiteitssystemen, toegangscontroles en auditmechanismen interoperabel zijn. De patiënt moet kunnen zien wie gegevens heeft geraadpleegd, fouten kunnen laten corrigeren en zijn rechten kunnen uitoefenen. Voor secundair gebruik zijn transparante procedures, dataminimalisatie, beveiligde verwerkingsomgevingen en onafhankelijk toezicht noodzakelijk (FAIR-dataprincipes).

De OESO benadrukt dat geïntegreerde informatievoorziening niet alleen een technisch vraagstuk is, maar een governance-opgave. Gegevens moeten tussen instellingen en zorgniveaus koppelbaar zijn en tijdig bruikbare informatie opleveren, terwijl privacy, veiligheid en maatschappelijk vertrouwen worden beschermd (OECD, 2022).

5. Een geïntegreerd uitvoeringskader op vier niveaus

5.1 Microniveau: het zorgproces als primaire eenheid

Op microniveau moet niet de opname of de instelling, maar het volledige transmurale en interdisciplinaire zorgpad de primaire eenheid van organisatie, financiering en evaluatie worden. Voor relevante patiëntengroepen, zoals bijvoorbeeld heupfracturen, beroertes, oncologische ingrepen, hartfalen, geriatrische kwetsbaarheid en complexe postoperatieve revalidatie, moet vooraf worden bepaald:

  • welke klinische zorg in welk ziekenhuistype wordt geleverd;

  • wie op ieder moment klinisch verantwoordelijk is;

  • welke informatie (structureel, inhoudelijk) bij een overdracht verplicht beschikbaar moet zijn;

  • welke termijnen gelden voor diagnostiek, behandeling, overdracht en opvolging;

  • welke patiëntrelevante uitkomsten worden gemeten.

Voor iedere overdracht moet het beginsel gelden dat de verantwoordelijkheid pas overgaat wanneer de ontvangende professional of organisatie de patiënt aantoonbaar heeft aanvaard. Een structureel en inhoudelijk onvolledige ontslagbrief die ergens beschikbaar wordt gesteld, is geen zorgcontinuïteit. Er moet een gesloten communicatiecyclus bestaan waarin structuur, inhoud, verwijzing, ontvangst, medicatieverificatie, vervolgafspraak en contactpunt zijn bevestigd.

Voor ZIZ-zorg is functioneel herstel de belangrijkste uitkomst. Naast mortaliteit en (potentieel vermijdbare) heropname moeten daarom mobiliteit, dagelijkse zelfredzaamheid, participatie, terugkeer naar huis en belasting van mantelzorgers worden gemeten. Voor ZDZ-zorg zijn onder meer conversies naar onverwachte overnachting, (potentieel vermijdbare) complicaties, wachttijden en ongeplande zorgcontacten relevant. Voor RAZ- en universitaire zorg moeten klinisch relevante en wetenschappelijk onderbouwde uitkomsten voor hoog-complexe behandelingen, tijdkritische zorg en veilige terugverwijzing worden gevolgd.

De wetenschappelijke literatuur waarschuwt dat geïntegreerde zorg niet automatisch tot kostenbesparing leidt. Systematische reviews tonen vooral voordelen voor ervaren kwaliteit, patiënttevredenheid en toegang; het bewijs voor structurele kostenreducties is minder eenduidig. Dit pleit niet tegen geïntegreerde zorg, maar tegen onrealistische besparingsverwachtingen en voor continue evaluatie (Baxter et al., 2018).

Nota: Het vergelijken van zorgresultaten is pas eerlijk ("appels met appels") in plaats van vertekend ("appels met peren") wanneer er op een aantoonbaar wetenschappelijk verantwoorde en inhoudelijk correcte wijze gecorrigeerd wordt voor case-mix en het risicoprofiel. Dit zorgt ervoor dat verschillen in patiëntengroepen geen vertekend beeld geven van de kwaliteit van een zorgverlener. Risicocorrectie (of case-mix correctie) is de hoeksteen van betrouwbare kwaliteitsmeting in de zorg. Zonder deze correctie worden zorgverleners die complexere, ernstigere of oudere patiënten behandelen onterecht gestraft met schijnbaar slechtere resultaten. Om wetenschappelijk valide te zijn, moeten parameters voldoen aan drie criteria: ze moeten buiten de invloedssfeer van de behandelaar liggen, een aantoonbare causale of sterke statistische relatie hebben met de uitkomst, en betrouwbaar en uniform geregistreerd worden.

5.2 Mesoniveau: territoriale populatieverantwoordelijkheid

Op mesoniveau moet iedere (verticaal en horizontaal geïntegreerde) regio een gezamenlijk zorgaanbod garanderen voor een afgebakende populatie. Dat omvat niet alleen de verdeling van ziekenhuisfuncties, maar ook preventie, eerstelijnszorg, thuiszorg, geestelijke gezondheid, revalidatie, farmaceutische zorg, patiëntenvervoer en welzijn.

De bestaande locoregionale netwerken hebben ervaring opgebouwd met ziekenhuisafspraken, maar de hervorming vraagt om een breder model. Het Rainbow Model of Integrated Care laat zien dat klinische integratie slechts duurzaam is wanneer zij wordt ondersteund door professionele, organisatorische, functionele, normatieve en systeemintegratie. Zorgverleners moeten dus niet alleen gegevens delen; zij moeten gezamenlijke waarden, bevoegdheden, financiering en verantwoordingsmechanismen ontwikkelen (Valentijn et al., 2013).

Iedere regio zou één meerjarig regionaal zorg- en capaciteitsplan moeten opstellen, dat ten minste omvat:

  • demografie, epidemiologie en verwachte zorgvraag;

  • geografische spreiding en reistijden;

  • beschikbare en daadwerkelijk bemande capaciteit;

  • personeelsbehoeften per beroepsgroep;

  • verdeling van zorgopdrachten over UZ, RAZ, ZDZ en ZIZ;

  • afspraken met eerstelijns- en welzijnsorganisaties;

  • ambulance-, PIT- en interhospitaal-transportcapaciteit;

  • noodscenario’s voor piekbelasting en uitval;

  • wetenschappelijk onderbouwde regionale kwaliteits- en gelijkheidsdoelstellingen.

Het plan moet openbaar worden getoetst aan objectief meetbare patiëntstromen (logistiek & doorstroming) en zorguitkomsten (kwaliteit & effectiviteit). Een site mag pas worden geconverteerd of een acute functie verliezen wanneer de ontvangende instellingen aantoonbaar voldoende personeel, fysieke capaciteit, transportmogelijkheden en digitale interoperabiliteit hebben. Dit kan worden vastgelegd als het beginsel “geen afbouw zonder aantoonbaar ontvangend zorgpad”.

5.3 Macroniveau: één hervormingsprogramma voor België

Op macroniveau moet de Belgische overheid de verkokerde beleidslijnen voor ziekenhuizen, geïntegreerde zorg, Appropriate Care, personeel en eGezondheid samenbrengen in één programmatische governance. Een interfederale stuurgroep onder mandaat van de IMC moet politieke besluiten nemen, terwijl een onafhankelijk uitvoerings- en evaluatieorgaan gegevens analyseert, risico’s signaleert en jaarlijks rapporteert aan de parlementen.

De erkenning van een RAZ mag niet uitsluitend afhangen van bedden. Een evenwichtig erkenningsmodel bevat vijf groepen criteria:

  1. structuur: bedden, infrastructuur, apparatuur en permanenties;

  2. proces: wachttijden, overdrachtstermijnen, richtlijnconformiteit en zorgcontinuïteit;

  3. uitkomsten: mortaliteit, complicaties, heropnames, functioneel herstel en patiëntgerapporteerde uitkomsten;

  4. toegankelijkheid en billijkheid: reistijden, financiële toegankelijkheid, taal, digitale inclusie en regionale verschillen;

  5. veerkracht: feitelijk beschikbaar personeel, opleidingscapaciteit, cyberveiligheid en piekcapaciteit.

Het Belgische Health System Performance Assessment (HSPA) biedt hiervoor een bestaande methodologische basis met indicatoren voor toegankelijkheid, kwaliteit, efficiëntie, duurzaamheid, billijkheid en veerkracht. De hervorming moet deze dimensies vertalen naar ziekenhuis- en zorgpadniveau (Gerkens et al., 2024).

Ook de financiering moet veranderen. Een zuiver prestatiegericht model beloont activiteit binnen afzonderlijke instellingen en kan ziekenhuisopnames, duplicatie en versnippering blijven stimuleren. Een politiek haalbare financieringsmix bestaat uit:

  • een beschikbaarheidscomponent voor urgente en geografisch noodzakelijke functies;

  • een passende vergoeding voor geleverde activiteit;

  • traject- of bundelfinanciering voor geselecteerde zorgpaden;

  • een kwaliteitscomponent op basis van risicogecorrigeerde uitkomsten;

  • een billijkheidscomponent voor kwetsbare populaties en moeilijk bereikbare regio’s;

  • afzonderlijke transitiemiddelen voor reorganisatie, opleiding en digitale interoperabiliteit.

Prestatiebekostiging mag niet te dominant worden en moet rekening houden met risicoselectie en onbedoelde prikkels (evenwichtig hybride model). Het doel is niet ziekenhuizen financieel te bestraffen voor complexe patiënten, maar samenwerking te belonen waar en wanneer die aantoonbaar betere uitkomsten en minder vermijdbare zorg oplevert.

Nota: Het Donabedian-model is een wereldwijd gebruikt raamwerk om de kwaliteit van de gezondheidszorg te meten en te evalueren. Ontwikkeld door Avedis Donabedian, deelt het model informatie over zorgkwaliteit op in drie opeenvolgende categorieën: structuur, proces en uitkomst. Het basisprincipe is dat een goede structuur de juiste processen bevordert, wat uiteindelijk leidt tot betere uitkomsten.

5.4 Supranationaal niveau: Europese interoperabiliteit en internationale legitimiteit

De WHO bepleit een verschuiving van systemen die rond ziekten en instellingen zijn georganiseerd naar geïntegreerde, persoonsgerichte diensten die over het hele zorgcontinuüm worden gecoördineerd. De organisatie formuleert vijf samenhangende strategieën: burgers en gemeenschappen versterken, governance en verantwoording verbeteren, het zorgmodel heroriënteren, diensten binnen en buiten de gezondheidssector coördineren en een ondersteunende omgeving creëren (WHO, 2016).

De WHO benadrukt bovendien dat hervormingen landgestuurd, participatief, billijk, systeemversterkend en resultaatgericht moeten zijn en met iteratieve leer- en verbetercycli moeten worden uitgevoerd. Dit ondersteunt een gefaseerde Belgische benadering, maar impliceert dat de evaluatie van 2031 een echte beslissingspoort moet zijn en geen formaliteit. Verhoging van de RAZ-drempel naar 180 verantwoorde acute bedden mag pas plaatsvinden wanneer onafhankelijke gegevens aantonen dat fase één de kwaliteit, toegankelijkheid en personele duurzaamheid heeft verbeterd (WHO, 2016).

De OESO levert het vergelijkende kader voor gezondheidsstelselprestaties, data governance en doelmatigheid. De Europese Unie levert via EHDS juridisch bindende interoperabiliteits- en gegevensgebruiksregels. Samen geven zij de Belgische hervorming externe legitimiteit, maar zij schrijven geen specifieke ziekenhuistypologie voor. De keuze voor UZ, RAZ, ZDZ en ZIZ blijft een Belgische institutionele keuze. Internationale kaders moeten daarom niet worden gebruikt als retorische rechtvaardiging voor vooraf bepaalde sluitingen, maar als toetssteen voor persoonsgerichtheid, kwaliteit, billijkheid, gegevensbescherming en lerend vermogen.

6. Gevolgen voor vier centrale beleidsdomeinen

6.1 Doelmatige zorg

De hervorming kan doelmatige zorg bevorderen door laagcomplexe en ambulante zorg dichter bij de patiënt te organiseren, complexe zorg te concentreren en revalidatie een herkenbare plaats in het zorgcontinuüm te geven. Zij zal echter alleen doelmatig zijn wanneer de indicatiestelling eveneens verandert. Een dagzorgsite die onnodige onderzoeken uitvoert, is niet doelmatiger dan een klassiek ziekenhuis. Een geconcentreerde interventie waarvoor patiënten onnodig vaak grote afstanden moeten afleggen, kan de maatschappelijke kosten juist verhogen.

Appropriate Care moet daarom worden gekoppeld aan klinische beslisondersteuning, gedeelde besluitvorming, praktijkvariatieanalyses en klinisch relevante feedback aan zorgprofessionals. Preventie en eerstelijnszorg moeten integraal in regionale capaciteitsplanning worden opgenomen. De relatief hoge Belgische opnamecijfers voor een aantal ambulant behandelbare chronische aandoeningen laten zien dat ziekenhuiscapaciteit niet los kan worden hervormd van de eerste lijn (OECD & European Observatory on Health Systems and Policies, 2025).

6.2 Samenwerking

De hervorming moet een continuüm tot stand brengen van nulde lijn en preventie, over huisarts en eerstelijnsteam, ZDZ en RAZ, tot universitaire en supraregionale expertise en vervolgens terug naar ZIZ, thuiszorg en welzijn. Daarvoor zijn geen vrijblijvende samenwerkingsverklaringen nodig, maar correcte en afdwingbare afspraken over bereikbaarheid, consultatie, verwijzing, terugverwijzing, gegevensuitwisseling, transport en escalatie.

De institutionele verbinding van iedere ZDZ met een RAZ en de verplichte SLA zijn een bruikbaar begin. De SLA moet evenwel minimale landelijke bepalingen bevatten over responstijden, onverwachte complicaties, medische achterwacht, transport, informatieoverdracht en gezamenlijke kwaliteitsbeoordeling. Voor ZIZ-zorg zijn vergelijkbare overeenkomsten nodig met RAZ-sites, huisartsen, revalidatievoorzieningen en thuiszorg.

6.3 Arbeidsmarkt

Personeelsschaarste (workforce depletion) is niet slechts een randvoorwaarde van de hervorming; zij is een van haar belangrijkste oorzaken. Nominale bedden zonder verpleegkundigen, artsen, paramedici en ondersteunend personeel vormen geen operationele capaciteit. De hervorming moet daarom worden gebaseerd op een geïntegreerd personeelsmodel en niet op historische personeelsformaties per instelling.

Regionale personeelsplanning kan gezamenlijke wachtdiensten, rotaties, opleidingsplaatsen, mobiele specialistische teams en taakdelegatie mogelijk maken. ZDZ’s en ZIZ’s moeten aantrekkelijke klinische werkplaatsen worden met eigen expertiseprofielen en loopbaanmogelijkheden. Zij mogen niet worden voorgesteld als instellingen waar “afgebouwde” activiteiten en personeel worden ondergebracht.

Aan werknemers die door een reconversie worden getroffen, zijn tijdige duidelijkheid, opleiding, werkzekerheid tijdens de transitie en inspraak in de nieuwe werkorganisatie verschuldigd. Investeringen in digitale systemen moeten aantoonbaar registratiewerk vervangen; digitalisering die nieuwe schermen en dubbele registraties toevoegt, ondermijnt zowel de hervorming als het personeelsbeleid. De WHO koppelt geïntegreerde zorg expliciet aan een gemotiveerde, competente en ondersteunde workforce (WHO, 2016).

6.4 Digitalisering

Digitalisering moet worden beoordeeld op haar positieve bijdrage aan zorgprocessen. Een succesvol BIHR voorkomt dat professionals gegevens (telkens) opnieuw moeten verzamelen, toont welke informatie betrouwbaar en actueel is, ondersteunt overdrachten en maakt kwaliteitsverbetering mogelijk. Een onsamenhangende verzameling portalen, berichtenboxen en lokale dossiers kan daarentegen de administratieve belasting verhogen.

Voor ieder prioritair zorgpad moet daarom een minimale klinisch relevante, interoperabele gegevensset worden vastgesteld (syntax, semantisch). Inhoudelijke en technische ontwikkeling moet gezamenlijk plaatsvinden met artsen, verpleegkundigen, paramedici, patiënten en administratieve medewerkers. De architectuur moet modulair zijn en leveranciersafhankelijkheid beperken (data silo, vendor lock-in). Cyberveiligheid, bedrijfscontinuïteit en herstel na incidenten moeten erkenningscriteria worden, aangezien een digitaal afhankelijk zorgproces ook kwetsbaar wordt voor systeemuitval.

Nota: De Europese NIS2-richtlijn (Directive on Security of Network and Information Systems) merkt de gezondheidszorg expliciet aan als een essentiële sector, wat betekent dat zorgorganisaties moeten voldoen aan strenge cybersecurity-eisen. 

7. Een politiek uitvoerbare routekaart voor 2026–2037

Fase 0: juridische en operationele voorbereiding, 2026–2027

Na de definitieve IMC-besluiten moet een bindend interfederaal transformatieakkoord worden gesloten. Voor iedere site wordt een onafhankelijke nulmeting uitgevoerd van zorgactiviteit, personeel, uitkomsten, gebouwen, bereikbaarheid, patiëntstromen en financiële positie. Tegelijk worden landelijke definities voor RAZ, ZDZ en ZIZ, een minimale outcome dataset en een EHDS-conforme gegevensarchitectuur vastgesteld.

De deelstaten moeten uiterlijk op 1 januari 2028 de voorgenomen bestemming van de betrokken sites bepalen. Die keuze mag niet uitsluitend door individuele ziekenhuizen worden voorbereid, maar moet deel uitmaken van een coherent en consistent regionaal zorg- en capaciteitsplan met publieke raadpleging.

Fase 1: gecontroleerde transformatie, 2028–2031

In deze fase worden sites geconsolideerd, gefuseerd of geconverteerd. Het aangekondigde federale transitiefonds moet niet alleen reorganisatiekosten dekken, maar ook opleiding, procesherontwerp, interoperabiliteit, transportcapaciteit en tijdelijke dubbele exploitatie. Iedere transformatie krijgt een contract met concrete mijlpalen.

Een acute functie mag pas worden afgebouwd nadat een goede gedefinieerde onafhankelijke analyse bevestigt dat bereikbaarheid, ontvangende capaciteit, urgente respons en personeelsbezetting zijn gegarandeerd. De bestaande uitzonderingen voor geïsoleerde of grensregionale sites moeten worden gebaseerd op actuele reistijden, feitelijke patiëntenstromen en seizoensvariatie, niet alleen op afstand in kilometers (IMC, 2026).

Beslissingspoort: onafhankelijke evaluatie in 2031

De voorziene evaluatie in 2031 moet ten minste de volgende effecten onderzoeken:

  • (gestandaardiseerde) mortaliteit (HSMR), (potentiaal vermijdbare) complicaties, (potentieel vermijdbare) heropnames;
  • wachttijden en zorguitstel;
  • patiëntenstromen en bezettingsgraden;
  • urgente responstijden en interhospitaaltransport;
  • functionele uitkomsten van ZIZ-zorg;
  • personeelsverloop, werkdruk en vacatures;
  • financiële toegankelijkheid en regionale ongelijkheden;
  • administratieve belasting en digitale interoperabiliteit;
  • patiënt- en mantelzorgervaringen.

De verhoging van de RAZ-drempel naar 180 verantwoorde acute bedden en 240 erkende bedden moet afhankelijk worden gemaakt van deze evaluatie. Een uniforme verhoging is niet verantwoord wanneer de gegevens uiteenlopende effecten tonen tussen stedelijke, rurale en grensregio’s.

Fase 2: consolidering en lerende bijsturing, 2032–2037

Na de evaluatie kunnen resterende sites hun definitieve opdracht krijgen. In deze fase verschuift de nadruk van structurele herordening naar uitkomstgerichte contractering, lerende zorgsystemen en verdere Europese gegevensintegratie. De hervorming wordt niet als “afgerond” beschouwd in 2037: de verdeling van functies moet periodiek worden herzien op basis van evoluerende demografie, technologie, zorgvraag (input) en uitkomsten (output).

Nota: Uitkomstgerichte contractering is een financieringsmethode in de gezondheidszorg waarbij afspraken tussen publieke en/of private zorgverzekeraars en zorgaanbieders gebaseerd zijn op de daadwerkelijke kwaliteit en de behaalde resultaten van een behandeling, in plaats van op de hoeveelheid geleverde prestaties (zoals het aantal verrichtingen of behandelingen).

8. Risico’s en noodzakelijke waarborgen

Het eerste risico is dat de typologie een vastgoed- en beddenoperatie wordt. Dit wordt voorkomen door transmurale en interdisciplinaire zorgpaden, personeelsplanning en financiering juridisch en budgettair aan de sitebesluiten te koppelen.

Het tweede risico is overcentralisatie. Complexe zorg kan baat hebben bij concentratie, maar frequente, chronische en tijdkritische zorg vereist nabijheid. De hervorming moet daarom niet streven naar maximale concentratie, maar naar selectieve concentratie en georganiseerde nabijheid.

Het derde risico is bestuurlijke duplicatie. Nieuwe RAZ-samenwerkingen, bestaande ziekenhuisnetwerken en geïntegreerde-zorgstructuren kunnen naast elkaar blijven bestaan. Eén regionaal populatieplan en één gedeeld dashboard zijn nodig om tegenstrijdige planning te voorkomen.

Het vierde risico is dat ZDZ’s en ZIZ’s als tweederangsinrichtingen worden gezien. Dat kan worden vermeden door duidelijke klinische profielen, eigen kwaliteitsindicatoren, voldoende investeringsmiddelen, opleiding en volwaardige professionele loopbanen.

Het vijfde risico is digitale uitsluiting of verlies van vertrouwen. Patiënten moeten hun gegevens kunnen raadplegen zonder dat digitale kanalen de enige toegang tot zorg worden. Privacybescherming en transparantie over secundair gebruik zijn voorwaarden voor legitimiteit, geen belemmeringen die achteraf moeten worden opgelost.

Het zesde risico betreft onrealistische besparingsverwachtingen. Geïntegreerde zorg en digitale infrastructuur vereisen aanvankelijk investeringen. Het maatschappelijke rendement bestaat niet uitsluitend uit lagere uitgaven, maar ook uit betere uitkomsten, minder vermijdbare zorg, grotere zelfstandigheid, een houdbaardere workforce en meer gelijke toegang (equity). De hervorming moet daarom worden beoordeeld volgens de Quintuple Aim en niet volgens een eenzijdige budgettaire doelstelling (Nundy et al., 2022; RIZIV, 2026b).

Conclusie

De hervorming naar vier types ziekenhuissites kan het Belgische gezondheidsstelsel fundamenteel verbeteren. Zij biedt een kans om hoogcomplexe zorg te concentreren, ambulante zorg uit te bouwen, intermediaire revalidatie te versterken en schaarse professionals doelgerichter in te zetten. Maar de typologie bezit op zichzelf geen transformerende kracht. Zonder geïntegreerde transmurale en interdisciplinaire zorgpaden, passende financiering, structureel en inhoudelijk correct gedeelde gegevens, personeelsbeleid en territoriale governance ontstaat slechts een nieuwe institutionele kaart boven op een oud en gefragmenteerd zorgmodel (institutionele lasagne).

België moet de hervorming daarom uitvoeren als één samenhangend nationaal programma, gebaseerd op vijf bindende uitgangspunten:

  1. de patiënt en het volledige transmurale en interdisciplinaire zorgpad, niet de instelling, vormen de primaire eenheid van beleid;
  2. bedden- en volumecriteria worden steeds aangevuld met personele, procesmatige, uitkomst- en toegankelijkheidscriteria;
  3. iedere regio draagt aantoonbare verantwoordelijkheid voor een integraal en geografisch toegankelijk zorgaanbod;
  4. BIHR en EHDS worden vanaf het ontwerp in alle erkennings-, financierings- en zorgpadnormen verwerkt;
  5. de overgang naar fase twee is afhankelijk van een onafhankelijke, transparante en billijkheidsgerichte evaluatie.

Het politiek meest overtuigende narratief is dan ook niet dat België ziekenhuizen sluit of degradeert, maar dat het zorgfuncties herverdeelt om kwaliteit, nabijheid en continuïteit te kunnen behouden. De naam van het expertenrapport (Veranderen om te behouden) krijgt pas werkelijk inhoud wanneer de hervorming verder gaat dan de gebouwen die veranderen en ook de onderliggende bestuurlijke, professionele, financiële en digitale regels worden hervormd.

De IMC moet daarom in 2026 niet alleen de vier ziekenhuistypes definitief bevestigen, maar tevens een interfederaal uitvoeringsakkoord aannemen waarin ziekenhuisplanning, geïntegreerde zorg, Appropriate Care, workforcebeleid, BIHR en EHDS tot één toetsbaar transformatieprogramma worden verbonden. Alleen dan wordt de nieuwe ziekenhuistypologie de bouwsteen van een geïntegreerde, datagedreven, zorgprocesgestuurde en Europees interoperabele gezondheidszorg.

Literatuurlijst

Baxter, S., Johnson, M., Chambers, D., Sutton, A., Goyder, E., & Booth, A. (2018). The effects of integrated care: A systematic review of UK and international evidence. BMC Health Services Research, 18, 350. doi:10.1186/s12913-018-3161-3.

European Commission. (2025). European Health Data Space Regulation: Implementation timeline.

European Parliament & Council of the European Union. (2025). Regulation (EU) 2025/327 of 11 February 2025 on the European Health Data Space. Official Journal of the European Union.

Expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap. (2025). Veranderen om te behouden (2026–2036): Aanbevelingen voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap. FOD Volksgezondheid.

FOD Volksgezondheid. (2026). Overzicht van de gezondheidszorginstellingen in 2026.

Gerkens, S., Lefèvre, M., Bouckaert, N., Levy, M., Maertens de Noordhout, C., Obyn, C., Devos, C., Scohy, A., Vlayen, A., Yaras, H., Janssens, C., & Meeus, P. (2024). Performantie van het Belgische gezondheidssysteem: Rapport 2024. KCE Reports 376A. Belgisch Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg. doi:10.57598/R376C.

Gerkens, S., & Merkur, S. (2024). Belgium: Health system summary 2024. European Observatory on Health Systems and Policies, WHO Regional Office for Europe.

Interministeriële Conferentie Volksgezondheid. (2026, 24 juni). Hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap: voorstel en tijdslijn.

KCE. (2022). Transitie naar (meer) geïntegreerde zorg in België. KCE Reports 359A. Belgisch Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg.

Nundy, S., Cooper, L. A., & Mate, K. S. (2022). The Quintuple Aim for health care improvement: A new imperative to advance health equity. JAMA, 327(6), 521–522. doi:10.1001/jama.2021.25181.

OECD. (2022). Health data governance for the digital age: Implementing the OECD recommendation on health data governance. OECD Publishing. doi:10.1787/68b60796-en.

OECD & European Observatory on Health Systems and Policies. (2025). Belgium: Country health profile 2025. State of Health in the EU. OECD Publishing.

Overlegorganen Volksgezondheid. (z.d.). Interministeriële Conferentie Volksgezondheid: taken en bevoegdheden.

Porter, M. E. (2010). What is value in health care? New England Journal of Medicine, 363(26), 2477–2481. doi:10.1056/NEJMp1011024.

RIZIV. (2023). Het interfederaal plan voor geïntegreerde zorg.

RIZIV. (2026a). Doelmatigheid in de gezondheidszorg: Appropriate Care.

RIZIV. (2026b). Het BIHR: Belgian Integrated Health Record.

RIZIV. (2026c). Interfederaal actieplan eGezondheid 2026–2029.

Tol, J. A. M. G., van Gulik, T. M., Busch, O. R. C., & Gouma, D. J. (2012). Centralization of highly complex low-volume procedures in upper gastrointestinal surgery: A summary of systematic reviews and meta-analyses. Digestive Surgery, 29(5), 374–383. doi:10.1159/000343929.

Valentijn, P. P., Schepman, S. M., Opheij, W., & Bruijnzeels, M. A. (2013). Understanding integrated care: A comprehensive conceptual framework based on the integrative functions of primary care. International Journal of Integrated Care, 13, e010. doi:10.5334/ijic.886.

WeCare. (2023). Eindrapport: Interfederaal plan geïntegreerde zorg. RIZIV en FOD Volksgezondheid.

Wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, wat de klinische netwerking tussen ziekenhuizen betreft. (2019). Belgisch Staatsblad.

World Health Organization. (2016). Framework on integrated, people-centred health services. Report by the Secretariat, A69/39.

Peter Van Osta. Sustainable Solidarity Under Scarcity: A Philosophical and Political Analysis of Veranderen om te behouden (2026–2036)

Peter Van Osta. An essay concerning a new healthcare.

Popular posts from this blog

De financiële leefbaarheid van een Belgisch acuut ziekenhuis onder BFM, nomenclatuurafdrachten en supplementen

Cheat sheet medische dossiervoering, MZG-codering en BFM-impact - voor artsen in Belgische acute ziekenhuizen